De overheid moet regelen dat er meer bèta’s komen

Uitwerking van het opinieartikel De overheid moet regelen dat er meer bèta’s komen, NRC Handelsblad, 17 september 2012

 

In de verkiezingsdebatten werd er vooral gesproken over bezuinigingen. Dat is ook nodig, maar in Brainport Regio Eindhoven gaat het niet om bezuinigen. Het gaat om groei versterken en vasthouden. De cijfers zijn duidelijk: met de groeiende export van onze kennisintensieve maakindustrie hebben we goud in handen. Nederland is recent nog gestegen in de ranglijst van concurrerende economieën: van plek 7 naar plek 5. Mooi, ook omdat innovatie daarvoor de belangrijkste oorzaak is. Maar tegelijk ook gevaarlijk. Het beeld zou nu kunnen ontstaan dat we er al zijn. De waarheid is anders. Nederland moet op korte termijn zijn focus flink veranderen, investeringen in techniek stimuleren, het onderwijs stevig verbeteren en de grenzen wagenwijd open zetten voor kennismigranten. Als we dat niet doen, zal het succes niet aanhouden. Brainport trekt stevig aan de Haagse bel.

 

Dagelijks haalt de crisis de kranten. Maar niet in heel Nederland is het kommer en kwel. De economie in Brainport Regio Eindhoven groeide in 2010 met 2,8% en in 2011 met 3,2%. De export vanuit de regio steeg met 7%, met flinke uitschieters bij sommige bedrijven. Deze groei resulteerde in veel nieuwe banen in de sectoren hightech (+3.600), automotive (+1.200), design, lifetech en food.

 

Illustratief zijn nieuwsberichten van afgelopen zomer: Intel, TSMC en Samsung investeren 1,4 miljard in de R&D van chipmachinemaker ASML. VDL gaat voor BMW Mini's bij Nedcar produceren. DAF investeert een recordbedrag in de nieuwe ultraschone trucklijn. Met het Topsectorenbeleid is een goed begin gemaakt voor een modern industriebeleid. Tot zover goed nieuws.

 

Maar het is nog lang geen tijd om nu genoegzaam achterover te leunen. Om ook morgen onze boterham te kunnen verdienen, en de zorg voor de vergrijzende bevolking te kunnen bekostigen, moeten we de troef van de kennisintensieve maakindustrie veel beter uitspelen. Alleen in die industrie is de toegevoegde waarde per baan groot genoeg om van Nederland duurzaam te ontwikkelen.

 

Er is grote behoefte aan inzet vanuit de Rijksoverheid op de volgende punten:

  1. Stimuleer bèta techniek en ondernemerschap in het onderwijs
  2. Bied buitenlandse kenniswerkers een warm welkom
  3. Moderniseer de arbeidsmarkt door het creëren van experimenteerruimte in regio’s voor slimme flexibilisering van de arbeidsmarkt
  4. Jaag innovatie aan door het versterken van het open innovatie ecosysteem
  5. Vergemakkelijk de financiering van (door)groeiende bedrijven door het creëren van een sluitende kapitaalstructuur
  6. Kies voor technologische vernieuwing als antwoord op maatschappelijke vraagstukken
  7. Zet in op een gericht en pro-actief export- en acquisitiebeleid
  8. Investeer in de internationale bereikbaarheid en omgevingskwaliteit van Brainport Regio Eindhoven
  9. Pak problemen en uitdagingen aan op het meest optimale schaalniveau

 

1.       Stimuleer bèta techniek en ondernemerschap in het onderwijs

Versterk excellent onderwijs met doorlopende leerlijnen en met aandacht voor technologie, ondernemerschap en sociale innovatie dat goed is aangesloten op het bedrijfsleven. Concreet gaat het daarbij om centra voor innovatief vakmanschap (in het MBO), centres of excellence (in het HBO) en het technisch universitair onderwijs dat momenteel onevenredig hard getroffen wordt door de bezuinigingen. De door de Technische Universiteit Eindhoven ingezette groeistrategie wordt daarmee ongewild afgeremd, juist op een moment dat de markt vraagt om stimulering van technische studies. Investeer tenslotte in de promotie van bèta techniek in het basis- en voortgezet onderwijs.

 

Toelichting: Tekort aan bèta’s en technisch geschoolde arbeidskrachten gaat Nederland veel economische groei kosten. Dit doet zich binnen Zuidoost-Nederland juist in regio Eindhoven extra voelen, aangezien daar de verwachte groei van technische banen het grootst is.

 

Een kwaliteitsimpuls voor het technisch onderwijs maakt de technische opleidingen aantrekkelijker voor scholieren en studenten in binnen- en buitenland. Daardoor wordt de instroom hoger en het tekort aan talent - kwantitatief en kwalitatief - vermindert. Ook zorgt het ervoor dat de uitval vermindert. Het gaat daarbij om voldoende middelen voor een robuuste aansluiting tussen de clusters en het beroepsonderwijs door de realisatie van vraaggestuurde centra voor beroepsonderwijs van topkwaliteit met doorlopende leerlijnen. De kern van deze centra bestaat doorgaans uit een Centrum voor Innovatief Vakmanschap (MBO) en een Applicatiecentrum, ook wel Centre of Expertise genoemd (HBO). In deze centra speelt het bedrijfsleven een grote rol, onder andere door het beschikbaar stellen van infrastructuur. Daarnaast zijn er verbindingen met VMBO en universiteit, zodat leerlijnen doorlopen op alle onderwijsniveaus.

 

Daarnaast is de studiefinanciering voor technische bachelor- en master opleidingen een aandachtspunt. Vanwege de zwaarte van deze opleidingen in relatie tot andere opleidingen en de langere studieduur investeren deze studenten zelf al fors. Aanpassingen in beurzen voor studiefinanciering dienen er niet toe te leiden dat deze bovenop hun al forse investering nog extra (financieel) moetenbijdragen.

 

Investeer verder in de promotie van bèta techniek in het basis- en voortgezet onderwijs.

 

2.       Bied buitenlandse kenniswerkers een warm welkom

Maak van expat centres een one-stop-shop voor internationale kenniswerkers. Breid daartoe de dienstverlening uit en maak die toegankelijk voor een grotere doelgroep zoals onderzoekers, kenniswerkers uit EU-landen en grensarbeiders. Zorg ook dat kort verblijvende kennismigranten snel en eenvoudig Nederland binnen kunnen komen. De huidige wetgeving werkt belemmerend, met name voor hightech bedrijven die veel klanten of nevenvestigingen in Azië hebben, wat het risico in zich heeft van verdere uitplaatsing van economische activiteiten.

Toelichting: Internationale arbeid wordt in Brainport Regio Eindhoven steeds belangrijker. De voornaamste redenen hiervoor zijn de toenemende tekorten op de – vooral technische – arbeidsmarkt en de noodzaak om te werken in internationale, multidiscplinaire teams die de creativiteit genereren om complexe uitdagingen op te lossen en zo de internationale concurrentiekracht van bedrijven versterken. In dit verband zijn twee maatregelen van belang:

 

a. Kort verblijvende kenniswerkers dienen snel en eenvoudig Nederland binnen te kunnen komen.

 

De huidige wet- en regelgeving werkt sterk belemmerend voor kortverblijvende kenniswerkers uit niet-EU landen. Omdat hightechbedrijven veel klanten en ook vestigingen in Azië hebben, ondervinden zij hiervan veel hinder. Een mogelijk gevolg kan zijn dat dit type activiteiten naar het buitenland verplaatst. De binnenkomst van kort verblijvende kenniswerkers die niet aan de criteria van de kennismigrantenregeling voldoen, dient daarom op een structurele wijze vereenvoudigd te worden. Daarbij kan gedacht worden aan opties als het vrijstellen van kort verblijvende kenniswerkers van klanten van Nederlandse bedrijven van de verplichting een tewerkstellingsvergunning te hebben, analoog aan de uitzondering in de Wet Arbeid Vreemdelingen waarbij buitenlands personeel dat meekomt met een door een Nederlands bedrijf bestelde buitenlandse machine is vrijgesteld van het hebben van een tewerkstellingsvergunning.

 

In het Masterplan Beta Techniek is door het kabinet het volgende toegezegd: “De rijksoverheid moet de knelpunten voor bedrijven bij kortdurend verblijf van internationale kenniswerkers – ook als ze in dienst zijn van het bedrijf zelf - snel oplossen.” Concrete maatregelen zijn echter nog niet genomen.

 

b. Maak van expat centres een one-stop-shop voor internationale kenniswerkers door uitbreidingdienstverlening en doelgroepen.

 

Uitbreiding doelgroepen: de expat centers zijn nu alleen toegankelijk voor buitenlandse werknemers (ook die uit de EU) en hun gezinsleden  van convenanthouders van de IND die voldoen aan de criteria voor kennismigrant of wetenschappelijk onderzoeker. Echter, naar schatting de helft van de kenniswerkers voldoet niet  aan het salariscriterium dat gesteld wordt aan kennismigranten en wetenschappelijk onderzoekers, met name uit de EU. Zij kunnen geen gebruik maken van de diensten van het expat center terwijl hun inzet van groot belang is voor de innovatiekracht van Nederland. Dit kan worden opgelost door het expat center open te stellen voor alle internationals van convenanthouders van de IND. Daarnaast kan ook worden gedacht aan grensarbeiders en arbeidsmigranten.

 

Uitbreiding publieke dienstverlening: De one-stop-shop die het expat center biedt, dient te worden uitgebreid met dienstverlening van: RDW (omwisselen rijbewijs), belastingdienst (30%-aanvraag), UWV Werkbedrijf (werkvergunning) en douane (inklaren van goederen).

 

3.       Moderniseer de arbeidsmarkt door het creëren van experimenteerruimte in regio’s voor slimme flexibilisering van de arbeidsmarkt

In Brainport Regio Eindhoven wordt gewerkt aan slimme flexibilisering van de arbeidsmarkt met als uitgangspunt dat iedereen nodig is. Competenties van werknemers vormen de spil van dit nieuwe beleid dat leidt tot een grotere transparantie en het soepel functioneren van de arbeidsmarkt. Het rijksbeleid vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de opstelling van nationale stakeholders moet ruimte laten aan de oplossingkracht die vanuit de regio wordt geboden, bijvoorbeeld via regio-specifieke cao’s.

Toelichting: Een flexibele arbeidsmarkt waarin aandacht is voor duurzame inzetbaarheid van mensen, leeftijdsbewust personeelsbeleid en werkzekerheid is een belangrijke randvoorwaarde om internationaal competitief te blijven. Voor Brainport Regio Eindhoven is arbeidsmarktflexibiliteit van bijzonder groot belang, aangezien de bedrijfsbasis sterk op de internationale markt is gericht en meer dan gemiddeld blootstaat aan conjunctuurschommelingen. Zeer snelle technologische ontwikkelingen waar veel werknemers hun brood aan verdienen, vragen bovendien om veel aandacht voor scholing en het bijspijkeren van competenties. De huidige inflexibiliteit verzwakt het vestigingsklimaat voor bedrijven en gaat voorbij aan de toegenomen economische dynamiek.

 

Vanuit de regio wordt daarom bottom up gewerkt aan flexibilisering van de arbeidsmarkt. Daaronder vallen investeringen gericht op gemeenschappelijk gebruik van competenties en competentiemanagement van bedrijven en kennisinstellingen in industriële sectoren in de regio. Dit krijgt momenteel vorm in het project Let’s Connect.  Ook wordt gekeken naar de mogelijkheden van regio specifieke CAO’s die meer recht doen aan kenmerkende verschillen in vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.

 

Het rijksbeleid vanuit het ministerie van SZW en de opstelling van nationale stakeholders moet ruimte laten aan de oplossingkracht die vanuit de regio wordt geboden. Centrale afspraken belemmeren het ontwikkelen van specifieke maatoplossingen vaak. Dit schaadt de concurrentiepositie en de economische groei ten opzichte van omliggende landen die gekenmerkt worden door grotere (regionale) flexibiliteit in arbeidsmarkt.

 

4.       Jaag innovatie aan door het versterken van het open innovatie ecosysteem

De overheidsinvesteringen in de kennisontwikkeling van de Brainport regio Eindhoven zijn nationaal gezien al jarenlang onder de maat. Repareer dat met langjarige toezeggingen voor publiek-private samenwerking in plaats van de huidige twee jaar zoals die nu binnen de topsectoren is vormgegeven. Garandeer ook een stabiele en robuuste basisfinanciering voor publieke kennisinstellingen die van groot belang zijn voor de innovatiekracht van de topsectoren. Dit geeft ook het technisch wetenschappelijk onderwijs een impuls en leidt tot meer goed opgeleide talenten. Het is paradoxaal dat kennisinstellingen met het beste track record op onderzoekssamenwerking met het bedrijfsleven (zoals TU/e, Holst Centre en DPI) onder huidig beleid met grote inkomstendalingen worden geconfronteerd door het wegvallen van publieke financiering. Dat kan Nederland zich niet permitteren.

Toelichting: R&D-instituten als het Dutch Polymer Institute, het Holst Centre en de Technische Universiteit Eindhoven  met daaraan verbonden publiek-private R&D samenwerking vormen een essentieel onderdeel van de Nederlandse kennisinfrastructuur. Zij zijn de knooppunten van het innovatie ecosysteem. Via deze knooppunten weten multinationals, MKB en kennisinstellingen elkaar te vinden en krijgt men toegang tot internationale netwerken. R&D-instituten leveren een belangrijke bijdrage aan de concurrentiekracht van de voor Nederland zo belangrijke topsectoren.

 

Om deze rol te vervullen is wel nodig dat de instituten - mits de prestaties goed zijn - zicht hebben op een stabiele en robuuste basisfinanciering en dat publiek-private programma’s langjarig gefinancierd worden. Ook de coalitie rond de Kennis en Innovatie Agenda (KIA), waar stichting Brainport lid van is, pleit hiervoor. Alleen dan heeft het bedrijfsleven de garantie dat programma’s en instituten blijven voortbestaan en zal het langjarige samenwerkingsrelaties opbouwen. Dit maakt Nederland ook aantrekkelijk als vestigingsland voor buitenlandse R&D-bedrijven.  Het huidige beleid biedt deze zekerheden niet. De basisfinanciering van instituten is grotendeels wegbezuinigd en de publiek-private programma’s zijn soms slechts voor 2 jaar van Rijksmiddelen voorzien. Daarnaast biedt de fiscalisering van het innovatiebeleid onvoldoende ruimte voor de unieke organisatiemodellen van deze instituten die vaak bepalend zijn voor het succes ervan. Door fiscalisering van het innovatiebeleid is de vrees dat MKB-deelname aan open innovatie-samenwerking onvoldoende van de grond komt. De eerste signalen uit het veld wijzen daar ook op. Het betrokken houden van het MKB bij de innovatie-samenwerking van kennisinstellingen en grotere bedrijven vraagt dan om specifieke maatregelen.

 

5.       Vergemakkelijk de  financiering van (door)groeiende bedrijven door het creeren van een sluitende kapitaalstructuur

Biedt innovatieve bedrijven in de topsectoren een sluitende structuur voor het aantrekken van extern kapitaal: een instrumentarium waarmee externe financiering kan worden aangewend, toegespitst op de specifieke behoeften van elk van de clusters, in een doorlopende lijn van opstart en groei tot volwassenheid.

Toelichting: Innovatieve groeiende ondernemingen leveren een belangrijke bijdrage aan de arbeidsproductiviteitsgroei en daarmee de economische groei in Nederland. Op dit moment is er sprake van een afname van het aantal technostarters en ook het niveau van snelle groeiers is onder het gewenste niveau. Het ontbreken van een sluitende (opvolgende) kapitaalstructuur is hier onder andere debet aan. Specifiek voor technologiebedrijven blijkt de toegang tot kapitaal een grote belemmering te zijn. Er is erkenning van macro economen van een zogenaamd ‘equity gap’, wat duidt op onvoldoende beschikbaarheid van ondernemerskapitaal in een bepaalde levensfase van bedrijven.

 

Vanuit de praktijk klinkt daarbij de opvatting door dat de markt van ondernemingsfinanciering gebaat is bij een diversiteit aan beschikbare fondsen. Vooral gespecialiseerde markt- en sectorkennis is noodzakelijk voor een adequate beoordeling van ondernemersplannen. Sectorspecifieke kapitaalsfondsen zorgen ervoor dat inhoudelijke kennis aan beschikbaarheid van kapitaal wordt gekoppeld. Voorwaarde is wel dat het fondsmanagement voldoende gespecialiseerde kennis kan opbouwen/aanwerven.

 

6.       Kies voor technologische vernieuwing als antwoord op maatschappelijke vraagstukken

Dit vereist een ondernemende overheid, die in samenwerking met de regio’s Nederland internationaal wil neerzetten als proeftuin voor innovatie. Dit behelst onder meer mogelijkheden in het ontwikkelen van een meer efficiënte gezondheidszorg, het ontwikkelen van duurzame decentrale energieopwekking en –besparing en het ontwikkelen en beter benutten van infrastructuur voor mobiliteit.

Toelichting: De publieke sector kan als aanjager van innovatie, met name op de gebieden waar hij domeineigenaar is en de regie voert, een grotere bijdrage leveren aan de ontwikkeling van producten en diensten. Die bieden een oplossing voor maatschappelijke uitdagingen - zoals op het gebied van energie, gezondheidszorg en mobiliteit – waar ook internationaal marktvraag naar is. Bedrijven die de innovatieve producten en diensten ontwikkelen kunnen die oplossingen internationaal vermarkten. Dit vereist een ondernemende overheid, die Nederland internationaal wil neerzetten als proeftuin voor innovatie.

 

Stichting Brainport vraagt in dit verband om ondersteuning van de ambitie om Brainport als echte technologische proeftuin en Nederland als ’leadmarket’ te ontwikkelen voor technologische oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. Dit behelst onder meer mogelijkheden in het energiebeleid voor duurzame decentrale energieopwekking en –besparing, zodat de realisatie van een grootschalige technologische proeftuin duurzame (decentrale) energieopwekking en –besparing in de regio mogelijk wordt. In de visie van bedrijven, kennisinstellingen en overheden verenigd in Stichting Brainport zal decentrale energieopwekking, met name van zonnestroom, een cruciale rol vervullen in de energietransitie die nodig is.

 

Brainport Regio Eindhoven heeft, samen met de provincie Noord-Brabant, de ambitie om op ten minste twee onderdelen van deze transitie een grote bijdrage te leven. Vanuit haar internationaal competitieve sterktes zet de regio in op machinebouw voor de productie van nieuwe dunne film zonnecellen en op de realisatie van een grootschalige technologische proeftuin duurzame (decentrale) energieopwekking en –besparing. Daarin is ook plaats voor elektrisch aangedreven voertuigen. Deze denkwijze en de businessmodellen hiervoor worden echter nog onvoldoende ondersteund door het beleid van de rijksoverheid.

  

7.       Zet in op een gericht en pro-actief export- en acquisitiebeleid

Maak daarbij effectief gebruik van de wervingskracht van Brainport Regio Eindhoven in het algemeen en van High Tech Campus Eindhoven, Automotive Campus NL in Helmond en het Science Park van de Technische Universiteit Eindhoven in het bijzonder als brandpunt van internationale technologische bedrijvigheid.

Toelichting: Een groot deel van het nationaal inkomen verdient Nederland door internationaal ondernemen. Bevorderen van internationaal ondernemen en investeren is daarom noodzakelijk om optimaal te profiteren van de kansen die het buitenland biedt.

 

Daarbij is blijvende aandacht nodig voor het financieel instrumentarium voor export-garanties en kredietverzekeringen. Dit instrumentarium dient zo te functioneren dat het exporterende industriële bedrijven in Nederland een gelijk speelveld biedt ten opzichte van hun concurrenten in het omringende buitenland.

 

Door een gericht en proactief acquisitiebeleid wordt het innovatie ecosysteem sterker en meer concurrerend. Wat bedrijven helpt om productiever te zijn en nog betere producten te ontwikkelen. Daarnaast draagt het aantrekken van publieke R&D-instituten bij aan de strategie om de publieke R&D binnen het ecosysteem in Brainport Regio Eindhoven te versterken. Door het gericht en proactief acquireren van bedrijven wordt het al sterke innovatie ecosysteem beter benut. Met als doel de positie van Nederland als ‘portal to Europe’ voor kennisintensieve bedrijven te versterken en de internationale concurrentiepositie van Nederland verder te versterken.

 

Maak daarbij effectief gebruik van de wervingskracht van Brainport Regio Eindhoven in het algemeen en van High Tech Campus Eindhoven en Automotive Campus NL in Helmond in het bijzonder als brandpunt en etalage van internationale bedrijvigheid in technologie. Uit diverse onderzoeken, bijvoorbeeld van het PBL, blijkt dat regionale factoren van groot belang zijn bij het aantrekken van buitenlandse bedrijven.

 

Dit pleit voor een steviger rol voor de economische hotspots in de economische branding van Nederland. Er dient niet enkel een sectorale insteek te worden gevolgd; ook de toplocaties verdienen een prominente plek in de zogenoemde Holland Branding.

 

Metropoolregio Amsterdam, Metropoolregio Rotterdam-Den Haag en Brainport Regio Eindhoven/Zuidoost-Nederland zoeken binnen het zogenoemde E3-verband ook al intensief de samenwerking, uit volle overtuiging dat dit noodzakelijke synergie en kritische massa zal brengen in de economische profilering van Nederland.

 

Een nieuw Kabinet zou veel gerichter kunnen inzetten op de mogelijke allianties tussen deze meest belangrijke economische pijlers, aangevuld met de Greenports. Met een nationaal gedragen en uitgedragen visie op de samenhang tussen deze economische pijlers, kan Nederland haar profilering als ‘Gateway to Europe’ voor diensten, handel en kennisindustrie inhoud geven en waarmaken!

 

8.       Investeer in de internationale bereikbaarheid en omgevingskwaliteit van Brainport Regio Eindhoven

Het belang voor de nationale (kennis)economie rechtvaardigt een prioritaire positie in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en rijksondersteuning bij versterking van de ruimtelijke economische structuur van Brainport Regio Eindhoven. In het bijzonder is van belang dat in de hoofdrailnetconcessie wordt opgenomen dat intercitytreinen doorrijden naar hogesnelheidstreinstations in Duitsland (Düsseldorf, Aken) en België (Luik), dit als opstap richting het doel om Eindhoven direct aan te sluiten op het Europese netwerk van hogesnelheidstreinen. Daarnaast is de realisatie van de grote ruit rond Eindhoven/Helmond van belang. Respecteer verder de uitvoering van de door de Alderstafel Eindhoven gemaakte afspraken over toename van het vliegverkeer op Eindhoven Airport.

Toelichting: Een excellente (inter)nationale bereikbaarheid is een essentiële voorwaarde voor het goed functioneren van de vele internationaal opererende bedrijven en kennisinstellingen in Zuidoost-Nederland. Het is de belangrijkste vestigingsfactor voor buitenlandse bedrijven, zo laat het al eerder genoemde onderzoek van PBL zien. Het internationale benchmarkonderzoek dat Roland Berger voor Brainport 2020 heeft uitgevoerd, bevestigt dit. Het onderzoek laat zien dat alle benchmarkregio’s over excellente verbindingen beschikken, maar dat Zuidoost-Nederland hierop achterblijft.

 

Het belang voor de nationale (kennis)economie rechtvaardigt een prioritaire positie in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en rijksondersteuning bij versterking van de ruimtelijke economische structuur van Brainport Regio Eindhoven. Redenerend vanuit het uitgangspunt om middelen in te zetten waar economie het meest bij gebaat is, past een integraal maatregelenpakket met tenminste aandacht voor hoogwaardige woon-/werkmilieus, stedelijke voorzieningen en bereikbaarheid.

 

Economische toplocaties met veel werknemers verdienen ook ontsluiting met hoogwaardig openbaar vervoer. Bedrijven hebben behoefte aan goede verbindingen met regio’s waar hun klanten en toeleveranciers zich bevinden en/of met het eigen internationale hoofdkantoor of dat van voorname klanten. Kennisinstellingen en R&D-afdelingen van bedrijven hebben behoefte aan goede verbindingen met andere kennishubs in Europa. Om de in de Eindhoven-Leuven-Aachen driehoek (ELAt) aanwezige kennis en innovatie beter te benutten is versnelde verbetering van de verbindingen met het omringende buitenland dringend noodzakelijk.

 

In het bijzonder is van belang dat in de hoofdrailnetconcessie wordt opgenomen dat intercitytreinen doorrijden naar hogesnelheidstreinstations in Duitsland (Düsseldorf, Aken) en België (Luik) , dit als opstap richting het doel om Eindhoven direct aan te sluiten op het Europese netwerk van hogesnelheidstreinen.

 

Het opnemen van buitenlandse HST-stations in de Nederlandse hoofdrailnetconcessie staat vermeld in de wijziging van de wet personenvervoer van 2010. Tevens is in april 2010 unaniem door de Tweede Kamer de motie Mastwijk/Anker aangenomen, luidende: “in de Hoofdrailnetconcessie 2015 wordt voorzien dat intercitytreinen doorrijden naar hogesnelheidstreinknooppunten over de grens”. Op deze manier profiteert Nederland optimaal van de hub functie van deze knooppunten en van het reeds in België en Duitsland aangelegde HSL- en ICE-netwerk en wordt aansluiting verkregen op het Europese netwerk van hogesnelheidslijnen.

 

Daarnaast is de realisatie van de grote ruit rond Eindhoven/Helmond van belang. Respecteer verder de uitvoering van de door de Alderstafel Eindhoven gemaakte afspraken over groei van het vliegverkeer op Eindhoven Airport.

 

9.       Pak problemen en uitdagingen aan op het meest optimale schaalniveau

Bij het verbeteren van het concurrentievermogen is het geografische schaalniveau volgend, niet leidend. Niet alle vestigingsfactoren kunnen op het niveau van de topsectoren worden aangepakt; veel factoren vereisen een aanpak op het schaalniveau van de regionale ecosysteem. Daarbij heeft het bedrijfsleven een sturende rol en neemt elk van de geledingen in de regionale triple helix een eigen verantwoordelijkheid voor noodzakelijke investeringen. Rijksbeleid is van belang op die onderwerpen waar nationale wet- en regelgeving van toepassing is en/of waar de aspecten in het vestigingsklimaat een verantwoordelijkheid zijn van nationale overheden.

Toelichting: De filosofie van Stichting Brainport is dat problemen en uitdagingen op het meest optimale schaalniveau worden opgepakt. Dat schaalniveau wisselt sterk: zo blijkt uit onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving  dat 70% van de concurrentiekracht van een land wordt bepaald door regionale factoren (PBL, 2011, 2012).

 

Vanuit deze filosofie kan de topsectorenaanpak goed werken voor de volgende thema’s:

  • Ontwikkelen en uitvoeren van Roadmaps zoals vormgegeven in de TKI’s. Randvoorwaarden voor succes zijn daarbij wel langjarige toezeggingen (in plaats van de huidige twee jaar) en een stabiele en robuuste basisfinanciering voor publieke kennisinstellingen.
  • Het aanpassen van wetten en regels, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt en migratie.
  • Het leggen van verbindingen tussen de economische sterkten van Nederland en de uitvoerende activiteiten van de Rijksoverheid zoals het buitenlandbeleid en de verbetering van de bereikbaarheid.

 

De topsectoren aanpak is echter niet geschikt voor de volgende thema’s. Deze dienen te worden vormgegeven vanuit de basis, vanuit regionale ecosystemen, en ondersteund door de rijksoverheid vanwege nationaal belang:

  • Inrichten van vraaggestuurd onderwijs met doorgaande leerlijnen op (V)MBO, HBO en WO niveau.
  • Aantrekken en behouden van kenniswerkers.
  • Aantrekken van buitenlandse bedrijven.
  • Valorisatie van kennis en kunde op crossovers van topsectoren, bijvoorbeeld in regionale proeftuinen met overheden en semi-overheden als klant van innovatie.
  • Excellente en goed ontsloten werklocaties zoals High Tech Campus Eindhoven en Brainport Industries Park.

 

Het gevoel van urgentie en het organisatievermogen om aan versterking van de economie te werken, is in de regio groot. Het huidige topsectorenbeleid gaat daar veel te weinig van uit.

 

Maar om vanuit Nederland met andere top innovatieregio’s ook in de toekomst de concurrentie te kunnen blijven aangaan, is verbetering op een brede waaier van vestigingsvoorwaarden nodig.

 

Samenwerking is daarbij een belangrijk aandachtspunt. Het gaat daarbij om zowel de samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden (triple helix) als ook de samenwerking tussen verschillende (internationale) regio’s en de samenwerking tussen de hogere en lagere overheden. Daarbij heeft het bedrijfsleven een sturende rol en neemt elk van de geledingen eigen verantwoordelijkheid voor noodzakelijke investeringen. Rijksbeleid is van belang op die onderwerpen waar nationale wet- en regelgeving van toepassing is en/of waar de aspecten in het vestigingsklimaat een verantwoordelijkheid zijn van nationale overheden.

 

Stichting Brainport, september 2012